Afdrukken

Bruinborstrietvink, Lonchura castaneothorax c. domestica

 Bruinborstrietvink 

Algemeen:
Nederlands: Bruinborstrietvink.
Duits: Braunbrust Schilffink.
Engels: Chestnut-breasted mannikin.
Frans: Donacole commun.

De Australische ondersoorten van de bruinborstrietvink zijn reeds tientallen jaren aanwezig in Europa en worden volop gekweekt. Daar er in het verleden weinig naar ondersoorten werd gekeken zijn beide soorten vermengd. De in afgelopen jaren ingezonden vogels op de tentoonstellingen wezen uit dat de kweekselectie toch ging naar vogels met diep gekleurde tekening en lichaamskleur. Hierdoor is besloten een vorm van de Bruinborstrietvink te beschrijven onder de naam “Lonchura castaneothorax c. domestica”. 

Mutanten: Mokkabruin, Roodbruin en SL ino.
Van de Bruinborstrietvink zijn inmiddels drie kleurmutanten welke middels transmutatie aanwezig zijn en nu in voldoende mate worden gekweekt om deze ook in de standaard te beschrijven. Inmiddels is door proef paringen met de Japanse Meeuw aangetoond dat de aanvankelijke naamgeving Isabel voor de roodbruine onjuist is.

Wildkleur:

Gelet dient te worden op de egaliteit van het rugdek en de borst. Een doorlopende grijze zoming vanuit de nek in het rugdek is fout, evenals grijsachtige zoming op de roodbruine borst. De grondkleur van masker en keel is zeer donker zwartbruin, en toont, met uitzondering van de keel, een zwakke donkerbeige streeptekening. Deze tekening mag slechts minimaal aanwezig zijn. De fijne streeptekening op een meer zwart masker is een raskenmerk en dient derhalve kritisch te worden bekeken. De overgang van de borstband naar de flank is moeilijk strak te showen en dient dan ook met de nodige soepelheid te worden beoordeeld. De Bruinborstrietvink is een vogel die in werkhouding maar weinig flank toont. Pas in volledige rust zal de flank maximaal worden getoond.


Volledige, actuele standaardeisen zijn verkrijgbaar op de website van de NBvV.