Afdrukken

Zilverbekjes

Algemeen
Wetenschappelijk: Euodice catans domestica
Duits: Silberschnäbelchen
Engels: African Silverbill
Frans: Bec d'argent
Deens: S∅lvnaeb
Italiaans: Becco d’argento

Ondersoorten
Bij de zilverbekken, euodice cantans valt het op dat er meerdere rassen bestaan, t.w.:
A: Euodice c. cantans
B: Euodice c. orientalis.
De eerste helft van de vorige eeuw werden ook nog herkend:
C: Euodice c. inornata
D: Euodice c. meridionalis
E.c.inornata: Is alleen wat bruiner van algemene kleur dan E.c.cantans en komen van het gebied rond de Nijl.
E.c.meridionalis: Is alleen wat grauwer van kleur dan E.c.orientalis en komen van het gebied rond Tanzania en Kenia. Het verschil tussen E.c.cantans en E.c.orientalis is dat E.c.cantans slechts gering herkenbare tekening op de flanken heeft en E.c.orientalis een duidelijke flanktekening. E.c.cantans: Is minder bruin als E.c.orientalis terwijl de buikzijde lichter is bij E.c.orientalis. Dit wil zeggen dat elke ondersoort zeker flanktekening heeft, dit is een gegeven waar binnen deze standaard niet aan voorbij zal worden gegaan.

Erfelijkheid en veerstructuur
De vederstructuur van de zilver- en loodbek is niet diepgaand onderzocht. Door een theoretische benadering van de mutaties en de analogie met de andere lonchurasoorten is de volgende indeling tot stand gekomen. De bevedering van de zilver- en loodbekken zijn in te delen in vier groepen veervelden.
a) De beperkt met phaeomelanine gevulde veervelden.
* De buik (van de zilverbek).
b) De hoofdzakelijk met phaeomelanine gevulde veervelden.
* De kop
* De borst
* De flanken
* Het rug- en vleugeldek
c) De met eu- en phaeomelanine gevulde veervelden.
* De staart- en vleugelpennen en de stuit van de zilverbek.
d) In veervelden aanwezige rood carotenoïde.
* De stuit bevedering van de zilverbek.
* De staartpennen van de loodbek.
e) Met eumelanine gevulde hoorndelen.
Voor een diepgaande bijschrijving de verschillende mutaties bij de zilverbek wordt naar de mutatie standaard prachtvinken verwezen. Bij de zilverbek worden de volgende mutaties herkend.
Bruin: Met als oorspronkelijk kweker de heer Kraan uit Hazerswoude.
Donkerbuik: De oorsprong is niet te herleiden.
Pastel; De mutatie is in 1982, in de omgeving van Arnhem, bij de heer Balk ontstaan en verder door de heer Lenting uit Arnhem vastgelegd en ontwikkeld.
Ino: In 1993 is bij de heer Van Hoek uit Mookhoek een nagenoeg witte gekleurde vogel geboren uit een koppel wildkleur zilverbekken. Deze vogel bleek in nakweek de inomutaite te vertegenwoordigen.
Opaal: De opaal mutatie is begin negentiger jaren in een stam loodbekken ontstaan bij de heer H. Versteeg uit Driemond. Door de heer Pieter v.d. Hooven uit Zwolle is door middel van hybridekweek de mutatie overgebracht naar de zilverbek.
Grijs: Door de Heer G. Möller uit Amsterdam werd in 2000 een zilverbek, welke in kleur afwijkt in een dierenspeciaalzaak aangetroffen. De vogel blijkt bij nadere bestudering een donkerbuik man te zijn.
Bij deze vogel is sprake van een volledige phaeomelanine reductie. Door de kweker werd na overleg met diverse andere mensen voorlopig voor de naam grijs gekozen. Het voortbestaan van deze stam lijkt echter mislukt.
Geelstaart: Door de heer Pieter v.d. Hooven uit Zwolle werd in een ino stam de geel(staart) mutatie ontdekt in het begin van de 21ste eeuw.
Bleekrug: Deze agaat mutatie is door de heer Berend Bosch uit Nijmegen in 2005 aangetroffen in een wildvang zending. Ook deze mutatie is inmiddels vastgelegd.


Fysieke standaard

Formaat
Het ideale gedomesticeerde zilverbek moet een forse indruk maken en moet minimaal 11,5 cm lang zijn, gemeten
tussen de punt van de snavel en het uiteinde van de staart. Het formaat dient een harmonisch geheel te vormen met het type van de vogel.

Model
De zilverbek moet een relatief forse indruk maken, welke iets krachtig overkomt, d.w.z. dat de zilverbekken niet de
indruk mogen maken slank te zijn. De onderlinge lichaamsverhoudingen van de zilverbek dienen harmonisch te
werken. Van opzij gezien moet de borstlijn, vanaf de keel tot aan de inzet van de poten, regelmatig gebogen zijn. De rug moet vanaf de nek tot aan de punt van de staart een bijna rechte lijn vormen. Een puntige borst of uitgezakt achterlichaam worden als storend ervaren. De kop dient ronde lijnen te vormen zonder echt duidelijk afgeplat te zijn.
De staartpennen zijn van buiten naar binnen steeds iets langer, terwijl de twee middelste staartpennen puntig
verlengd zijn, waardoor een tapse staartvorm ontstaat.

Houding
De zilverbek dient rustig op stok te zitten. Het lichaam dient los van de stok te blijven, het doorzakken op de poten is fout. De vleugels dienen strak langs de romp gedragen te worden, waarbij de vleugelpunten sluiten op de stuit.

Conditie
Voor de zilverbek, welke als soort relatief weinig foutbronnen heeft, is een goede conditie een eerste vereiste.
Wanneer de zilverbek niet in goede conditie verkeert, komt deze niet in aanmerking voor een hoge punten
waardering.

Poten
De poten moeten recht en stevig zijn, zonder verruwingen of vergroeiingen. De tenen dienen op een natuurlijke wijze stevig om de stok te klemmen, waarvan drie tenen naar voren en één naar achter is gericht. Elke teen is voorzien van een iets natuurlijk gekromde nagel.

Ringmaat
2,5 mm.

Snavel
De snavel moet kegelvormig zijn, zonder beschadigingen. De onder- en bovensnavel dienen natuurlijk te sluiten. De lijn snavel - schedel moet vloeiend zijn.

Bevedering
Een onbeschadigd verenpak dient bij de zilverbek strak en aaneengesloten gedragen te worden, zonder beschadigingen. Door onvoldoende training in de tentoonstellingskooi zal de zilverbek onrustig worden en met name de vederstructuur van de staart beschadigen.

Tekeningspatroon
De tekeningsonderdelen van de gedomesticeerde wildkleur zilverbek zijn:
• Hamertekening bovenschedel en nek: De bovenschedel en de nek zijn beigebruin, deze veren hebben een donkerbruine veerkern, waardoor een gehamerd uiterlijk ontstaat. Deze hamertekening moet prominent aanwezig zijn.
• Schubtekening rug- en vleugeldek: De veren van het rug- en vleugeldek hebben iets donkerder bruine uiteinden met lichtere veerzoom. Op het rug- en vleugeldek ontstaat hierdoor een minimale, doch duidelijk waarneembare schubtekening.
• Armpentekening: De armpennen hebben donkere bruine dwarsbanden. Het uiteinde van de drie binnenste armpennen hebben een crèmekleurig punt, welke prominent aanwezig dient te zijn.
• Flanktekening: Op de crème flanken is een scherpe, regelmatige en ononderbroken beigebruine dwars tekening aanwezig, welke dezelfde kleur heeft dan de borst. De flank begint aan de vleugelbocht en loopt door tot aan de broek. De overgang van de flank naar de buik en borst is scherp, zonder uitlopers.


Bron: Standaardeisen NBvV "Gedomesticeerde Afrikaanse en Aziatische prachtvinken (2012)"
Volledige, actuele standaardeisen zijn verkrijgbaar op de website van de NBvV.