Afdrukken

Rijstvogels

Algemeen
Wetenschappelijk: Lonchura oryzivora
Duits: Reisfink
Engels: Java sparrow
Frans: Padda, Calfat
Deens: Grä Risfugl
Italiaans: Padda

De rijstvogels, welke als een van de eerste prachtvinken soorten in de begin jaren van de 18de eeuw werden ingevoerd, zijn inmiddels verregaand gedomesticeerd. De rijstvogel heeft, al dan niet gewild, door veelvuldige kweek zowel negatieve als positieve kweekselectie ondergaan. Het gevolg is afwijkingen in formaat, model, kleur en tekening. Alleen al door deze feiten kan gesteld worden, dat binnen het keursysteem de rijstvogel, “Lonchura oryzivora”, samen met het zilver- en loodbek, de vogels zijn, welke in deze standaard, "Gedomesticeerde Afrikaanse- en Aziatische prachtvinken", met recht als cultuurvogels mogen worden aangemerkt. Naast de variatiebreedte binnen de soort, is als gevolg van de domesticatie ook een aantal kleur mutaties ontstaan.

Ondersoorten
Het genus Padda werd gezien als nauw verwant aan het genus Lonchura. Na onderzoek is besloten om het genus Padda te wijzigen in het genus Lonchura.

Erfelijkheid en veerstructuur
Het verenkleed van de rijstvogel is in te delen in een drietal groepen.
a: De borstbevedering en het rug- en vleugeldek.
b: De buikbevedring.
c: De tekeningsdelen.
Daarnaast bevatten de veren van de rug en de buik een geringe blauwstructuur, wat het helder grijze rugdek en de paarse waas op de buik tot gevolg heeft.
a: De borstbevedering en het rug- en vleugeldek.
De veren van het rug- en vleugeldek, alsmede van de borst, worden voor het grootste deel gekleurd door zwart eumelanine. Pas als coupes worden gesneden wordt ook roodbruin phaeomelanine aangetroffen. Bij de wildvorm is de hoeveelheid phaeomelanine beperkt en niet eens in elke coupe zichtbaar. De plaats waar het roodbruine phaeomelanine wordt aangetroffen is rond de kern van de baard en is vrij onregelmatig van concentratie.
Wanneer men op de veer kijkt, blijkt de schacht eumelanine te bevatten aan de extalzijde, de voor het oog zichtbare zijde. Aan de topzijde van de schacht is het aantal eumelanine delen per oppervlakte eenheid ongeveer veertig procent, richting spoel is deze hoeveelheid veel minder. De baarden laten een overeenkomstig eumelaninebezit zien. De extalzijde van de topbaarden is bijna volledig voorzien van eumelanine, terwijl de baarden richting spoelzijde steeds minder eumelanine bevatten. De baarden aan de basis van de veer bevatten aan de schachtkant zelf nauwelijks eumelanine. Analoog aan de baarden zijn de haakjes voorzien van eumelanine. Onder de microscoop gezien bestaat een haakje uit een aantal cellen. In deze cellen wordt eumelanine afgezet. De haakjes van het rug- en vleugeldek en borstbevedering bevatten alleen in de toppen van de cellen een hoeveelheid eumelanine. De haakjes aan de top van de veer laten meer eumelanine eenheden per cel zien als aan de basis van de veer. De haakjes aan de basis van de baarden, welke aan de spoelzijde van de veer zitten, bevatten in het geheel geen eumelanine. Uit de kweekpraktijk blijkt ook een beperkte hoeveelheid bruin eumelanine in deze bevedering aanwezig. Daarnaast bevatten de veren op de rug en de buik een geringe hoeveelheid blauwstructuur, wat het helder grijze rugdek en de paarse waas op de buik tot gevolg heeft.
b: De buikbevedering.
In de buikbevedering van de wildvorm rijstvogel is het phaeomelanine in grote concentratie aanwezig. Het eumelaninebezit speelt in de kleur van de buikbevedering slechts een bijrol en is met name in de flanken aan te treffen.
Wanneer men de tekening van de buikbevedering bekijkt, valt op dat de veer in drie zones is op te delen. Het topdeel van de veer kan het phaeomelanine deel worden genoemd. In dit deel van de veer zijn de baarden voorzien van een grote concentratie roodbruin phaeomelanine. Aan de top en aan de basis van de baard is de concentratie van het phaeomelanine minder als in het middendeel van de baard. Overeenkomstig de concentratie van het phaeomelanine in de baard is ook in elke cel van de baarden het roodbruin phaeomelanine aanwezig. De schacht van de veer is richting top aan de extalzijde, het voor het oog zichtbare deel, voorzien van een beperkte hoeveelheid phaeomelanine. Richting spoel neemt de hoeveelheid phaeomelanine af.
Het basis deel van de veer is het eumelanine deel van de buikveren. Vanaf het midden van de veer is in de schacht geen phaeomelanine meer aanwezig, zodat een melanine vrij gebied ontstaat. Vervolgens is in de extalzijde van de schacht een beperkte hoeveelheid eumelanine afgezet. De baarden aan de basis van de veer bevatten eumelanine, welke richting top van de baard afneemt tot vrijwel niets. Daarentegen bevat elk haakje aan de top van de baard in elke cel een hoeveelheid eumelanine, terwijl dit richting basis afneemt. Het midden deel van de buikveren is melanine vrij in zowel de schacht, de baarden als de haakjes. De breedte van deze melanine vrije zone is verantwoordelijk voor de diepte van de buikkleur. In de flanken is de melanineloze zone smaller en wordt de kleur meer beïnvloed door het eumelanine. Richting aars neemt de melanine concentratie geleidelijk af om uiteindelijk een witte aarsbevedering te tonen. Overeenkomstig de borst-, rugdek- en buikbevedering is een beperkte hoeveel bruin eumelanine in deze bevedering aanwezig.
c: De tekeningsdelen.
De kleur van de tekening van de wildvorm rijstvogel is zwart. Het overgrote deel van het melanine in de bevedering is dan ook zwart eumelanine. De veerschacht is aan de extalzijde, vanaf de spoel tot aan de top, voorzien van eumelanine. Aan de spoelzijde blijft dit beperkt tot een twintig procent per oppervlakte eenheid. Richting top van de spoel neemt het eumelanine bezit toe, om uiteindelijk bijna de totale oppervlakte te bedekken. De baarden bevatten aan de extalzijde eumelanine, waarbij de concentratie aan de baarden van de top van de veer groter is dan in de baarden, welke zich aan de basis van de veer bevinden. Overeenkomstig de concentratie van het eumelanine in baarden bevatten de haakjes eumelanine. Dit wil zeggen aan de top is de hoeveelheid eumelanine per oppervlakteëenheid negentig procent of meer, terwijl dit aan de basis van de veer maar veertig procent is. Wanneer van deze veertjes een coupe wordt gesneden, welke onder microscoop kan worden onderzocht, dan blijkt, dat er een aantal melanine eenheden zijn, welke niet volledig zwart zijn, maar een bruine kleur hebben. Gezien het feit dat bij de isabel rijstvogel deze melanine eenheden zichtbaar blijven, kan gesteld worden, dat dit bruine melanine waarschijnlijk bruin eumelanine is, van een andere structuur als het volledig geoxideerde zwarte eumelanine.

Voor een verdere bijschrijving van de erfelijke aspecten bij de verschillende mutaties bij de rijstvogel, wordt naar de mutatie standaard prachtvinken verwezen. Bij de rijstvogels worden de volgende mutaties herkend.

De mokka- en roodbruin mutatie.
Onder de naam isabel is bij de liefhebbers een kleurmutatie bekend, welke in praktijk een mokkabruine en roodbruine mutatie blijkt te zijn en zich ook als zodanig gedraagt. Het bewijs hiervan is de kweek van hybriden, welke heeft plaats gevonden met de Japanse meeuw. Door gebruik te maken van de paring mokkabruine Japanse meeuw split voor roodbruin maal mokkabruine (isabel) rijstvogel ontstaat een F1 generatie, welke zowel roodbruin als mokkabruin kleurige vogels laat zien. De mokkabruin- en roodbruinmutatie bij de rijstvogel is als gevolg van de kleur van de hybriden een mutatie, welke aangrijpt op hetzelfde gen als de roodbruinmutatie bij de Japanse meeuw. De invloed van de roodbruinmutatie op de wildvorm rijstvogel is het belemmeren van het afzetten van zwarte eumelanine staafjes in de bevedering. Door selectieve kweek zal de hoeveelheid phaeomelanine in de bevedering verder kunnen worden uitgebreid. Dit zal een warme kleur aan de roodbruine rijstvogel geven. Een extra aspect is de blauwfactor, welke door de roodbruin factor niet langer van invloed is op de kleur, welke door ons wordt waargenomen. De mokkabruine vormt met de roodbruine een meervoudige mutatiereeks, zoals we die bij de Japanse meeuw ook kennen. 

De opaalmutatie.
In 1991 ontstond een mutatie met een zilvergrijs rugdek en grijze tekeningsdelen. Deze mutatie is vastgelegd door de heer H.J de Vos uit Utrecht en in aanvang pastel genoemd. Wanneer het gevolg van deze mutatie op de vederstructuur wordt geanalyseerd blijkt, dat alle melanine een kwantitatieve reductie heeft ondergaan, overeenkomstig de opaalmutatie. De pigmentcellen, melanocyten genoemd, kunnen als gevolg van een genetisch defect hun pigment niet of nauwelijks meer in de veer afzetten. De melanocyt produceert echter wel pigment. Op zeker moment wordt de melanocyt in de keratine van de groeiende veercel opgenomen. Dit opnemen van melanocyten in de veer gebeurt veelal in de entalzijde (de aan het oog onttrokken zijde) van de veer, wat met name aan de donkere schacht aan de onderzijde van de veer zichtbaar is. Het aantal pigment eenheden per veerdeel is sterk afgenomen tot ongeveer veertig procent bij de donkere exemplaren en tot twintig procent bij de lichtere exemplaren. De gevolgen voor de afzonderlijke veervelden zijn als onder omschreven.

De borst en het rug- en vleugeldek:
De beperkte hoeveelheid phaeomelanine rond de kern van de baarden is voor ongeveer zestig procent gereduceerd. De overblijvende hoeveelheid phaeomelanine heeft niet of nauwelijks invloed meer op de kleur van deze veervelden. Het eumelanine in de haakjes in de extalzijde van de baard wordt eveneens met ongeveer zestig procent gereduceerd. Deze resterende eumelanine heeft een helder zilvergrijs rugdek tot gevolg.

De buikbevedering:
Het phaeomelanine, dat zich in de baarden van de buikbevedering van de wildvorm in een grotere concentratie bevindt, wordt voor ongeveer zestig procent gereduceerd. Het resterende phaeomelanine zal de buikkleur t.o.v. de borst en het rug- en vleugeldek in helderheid beïnvloeden. De hoeveelheid overblijvende eumelanine zorgt samen met dit phaeomelanine voor een zilvergrijze kleur, zonder dat deze helder te noemen is.

De tekeningsdelen.
De melanine in de baarden en de haakjes van de tekeningsdelen reduceert eveneens voor ongeveer zestig procent. Het is een kwantitatieve reductie. Het betreft zowel het zwarte- en het bruine eumelanine en het roodbruine phaeomelanine. Het phaeomelanine, wat a.g.v. de opaalmutatie overblijft, heeft niet of nauwelijks nog invloed op de kleur van de tekeningsdelen. De resthoeveelheid eumelanine nemen wij waar als een donkergrijze kleur.

De pastelmutatie.
Rond 1985 is een echte pastelmutatie opgetreden en vastgelegd door de heer Mingeroet uit België. Begin jaren ‘90 is de kweek van deze mutant door de heer Verbakel uit Aerle Rixtel ter hand genomen. Wanneer het gevolg van deze mutatie op de vederstructuur wordt geanalyseerd blijkt, dat alle melanine een kwantitatieve reductie heeft ondergaan. Het aantal pigment eenheden per veerdeel is strek afgenomen, tot ongeveer veertig procent bij de donkere exemplaren en tot zestig procent bij de lichtere exemplaren.

Een phaeomelanine verhinderende mutatie (De grijsmutatie).
In de eind tachtiger jaren werd tijdens een tentoonstelling een rijstvogel aangetroffen, met een zeer helder grijs rugdek en een grauw grijsbeige buikkleur, zonder roze waas. Bij nadere bestudering is vast te stellen, dat deze vogel een vederstructuur heeft zonder phaeomelanine. De kleur wordt bepaald door zwart- en bruin eumelanine. Een vederstructuur onderzoek van deze vogel heeft (nog) niet plaats gevonden. Nakweek van deze vogel is onbekend, een standaardomschrijving is dan ook nog niet aan de orde. Betreffende grijs "mutatie" geeft aanleiding de ongemuteerde vorm niet grijs maar wildvorm te noemen en zal als zodanig ook in de standaard omschreven worden.

Een eumelanine verhinderende mutatie (De topaasmutatie).
In 1993 is in midden Italië een rijstvogel aangetroffen, welke bij nadere bestudering een vogel blijkt te zijn, welke herkenbaar is als topaas. Het zwarte eumelanine wordt kwantitatief gereduceerd, terwijl het phaeomelanine onaangetast blijft. Wat wordt waargenomen is een rijstvogel met donkerbruine tekeningsdelen en een mat grijs rugdek, zonder blauwe waas. De kleur van de buik is beigegeel. Een vederstructuur onderzoek van deze vogel heeft (nog) niet plaats gevonden.

De bontmutatie.
Bij rijstvogels is reeds sinds jaar en dag de bontmutatie bekend. Deze mutatie is in het algemeen waar te nemen door witte vleugelpennen en witte veertjes op de kop en onder de snavel. Plaatselijk wordt een totale verhindering van melanine oxidatie door de bontfactor veroorzaakt. Vogels, welke aan de algemene keurtechnische omschrijving van de bontmutatie kunnen voldoen, komen nauwelijks of nooit voor. Veel meer wordt de bontfactor dan als lastig en negatief ervaren. De bontmutatie bij de rijstvogel wordt dan ook niet gezien als een verrijking van het kleurslagenbestand en wordt dan ook niet in standaardvorm omschreven.

De witmutatie.
Reeds in 1876 werd aan de natuur een witte rijstvogel onttrokken. In de totale bevedering van de rijstvogel wordt de melanine oxidatie verhinderd, het gevolg is een witte vogel, zonder enige pigment aanslag.

De vogel in het bezit van overmelanisatie.
In de vogelliteratuur wordt meerdere malen melding gemaakt van vogels met een volledig zwarte kop en soms zelfs een zwartgrijze buik. In alle gevallen bleek er hier sprake te zijn van overmelanisatie. Oorzaken van dit verschijnsel kunnen onder meer eenzijdige voedselopname, onvoldoende licht of het gevolg van medicijntoediening zijn. Wanneer de vogels in goede conditie een rui ondergaan, blijkt het oorspronkelijke veerkleed weer hersteld te zijn. Vogels in het bezit van overmelanisatie hebben een hoge kijkwaarde, maar worden, omdat het afwijkende verenkleed niet erfelijk is vast te leggen, niet in de standaardomschrijving opgenomen.


Fysieke standaard

Formaat
De ideale rijstvogel moet een forse indruk maken en moet minimaal 15 cm lang zijn, gemeten tussen de punt van de snavel en het uiteinde van de staart. Het formaat dient een harmonisch geheel te vormen met het type van de vogel.

Model
Het type van de rijstvogel is robuust, waarbij de onderlinge lichaamsverhoudingen niet storend op elkaar mogen inwerken. Van opzij gezien moet de borst - buiklijn vanaf de keel tot aan de onderstaartdekveren van voldoende volume zijn en regelmatig gebogen. De rug moet vanaf de kop, welke iets opgericht gedragen wordt, tot aan de punt van de staart een bijna rechte lijn vormen. Van voren gezien dient de borst vol en goed rond te zijn, maar niet vet. In het achterlichaam mag de rijstvogel niet de indruk maken uitgezakt te zijn. De kop moet een regelmatig gebogen lijn vormen, met oog centraal t.o.v. de schedel. Bij negatieve kweekselectie zal samen met een platte schedel en een onnatuurlijke grote snavel, de kop erg storend werken. Deze afwijking is ernstig en erfelijk.

Houding
De rijstvogel dient rustig op stok te zitten. Het lichaam dient los van de stok te blijven, het doorzakken op de poten is fout. De vleugels dienen strak langs de romp gedragen te worden, waarbij de vleugelpunten sluiten op de stuit.

Conditie
Voor de rijstvogel, welke als soort weinig foutbronnen heeft, is een goede conditie een eerste vereiste. Wanneer de rijstvogel niet in goede conditie verkeert, komt deze niet in aanmerking voor een hoge punten waardering.

Poten
De poten moeten recht en stevig zijn zonder verruwingen of vergroeiingen. De tenen dienen op een natuurlijke wijze stevig om de stok te klemmen, waarvan drie tenen naar voren en een naar achter is gericht. Veelvuldig worden rijstvogels ter keuring aangeboden met een geschubd loopbeen of te lange nagels. Op beide afwijkingen dient streng gelet te worden. Elke teen is voorzien van een iets natuurlijk gekromde nagel.

Ringmaat
3,2 mm.

Snavel
De snavel is voor de soort fors, maar mag niet overdreven groot worden. Onder- en bovensnavel moeten goed op elkaar sluiten en onbeschadigd zijn. De lijn bovensnavel - schedel dient een vloeiend verloop te hebben. Soms komt het voor dat de snavel van de pop iets fijner van model is als die van de man.

Bevedering
Een onbeschadigd verenpak dient bij een rijstvogel strak en aaneengesloten gedragen te worden, zonder beschadigingen. Door onvoldoende training in de tentoonstellingskooi zal de rijstvogel onrustig worden en de veerstructuur van de staart beschadigen.

Kleur en tekening
In de standaardomschrijving wordt per kleurslag en per veerveld de kleur en tekening van de rijstvogel beschreven. In alle gevallen dient de kleur een goede helderheid en regelmaat te tonen, terwijl de tekening prominent en scherp moet zijn. Wanneer rijstvogels ter keuring worden aangeboden, welke nog niet op kleur zijn, komt dit tot uitdrukking in bruine aanslag op rug- en vleugeldek en bruine vlekken in het tekeningspatroon van de kop. Veelvuldig is bij de rijstvogels een bontfactor in het geding, het gevolg zijn witte vleugelpennen en bontvorming in de keel. Op deze bontvorming dient dan ook streng gelet te worden. Bij de pop kan de snavel iets lichter van kleur zijn als bij de man, hetzelfde geldt voor de ooglidrand.

Tekeningspatroon
De tekeningsonderdelen van de gedomesticeerde wildkleur rijstvogel zijn:
Het tekeningspatroon van de kop is vastgelegd in diverse tekeningsonderdelen. Te herkennen zijn bovenkoptekening, oogstreep, snavelstreep, keelvlek, wangvlek en de wangstreep, te weten.
• Bovenkoptekening: De bovenkoptekening loopt vanaf de inplant van de bovensnavel over de voor- en achterschedel tot in de nek en vormt een geheel met de teugel. In de nek is de afscheiding met het rugdek regelmatig en scherp.
• Oogstreep: Aansluitend op de bovenkoptekening begint aan de achterzijde onder het oog de oogstreep. De oogstreep loopt onder langs het oog en de teugel, waarmee het een geheel vormt, richting snavelbasis Aan de onderzijde van het oog is de oogstreep minimaal doch scherp en regelmatig aanwezig.
• Snavelstreep: De snavelstreep loopt langs de zijkant van de ondersnavel en is scherp en regelmatig aanwezig. Aan de bovenzijde gaat de snavelstreep over in de oogstreep, aan de onderzijde grenst de snavelstreep aan de keelvlek.
• Keelvlek: Vanaf de basis van de ondersnavel loopt de keelvlek tot aan de onderzijde van de keel. De overgang van de keel en borst is scherp en regelmatig. Aan de zijkanten grenst de keelvlek aan de wangvlek. 
• Wangvlek: De wangvlek loopt vanaf de snavelstreep en zijkant van de keel richting wang. Aan de bovenkant wordt de wangvlek begrensd door de oogstreep. Vanaf de achterzijde van de oogstreep loopt de wangvlek met de bovenkoptekening mee richting wangstreep. Alle begrenzingen van de wangvlek zijn regelmatig gebogen en scherp van aftekening.
• Wangstreep: Langs de onderzijde van de wangvlek loopt de wangstreep. De wangstreep loopt in een regelmatig gebogen lijn van de onderzijde van de keelvlek tot aan de achterzijde van de wangvlek en bovenkoptekening. Aan de onderzijde vormt de wangstreep een regelmatige en scherpe afscheiding. De wangstreep bestaat uit veren, welke deel uitmaken van de rand van de wangvlek. Zo'n veer is dan ook wit en bevat alleen aan de top een zwarte rand. De zwarte rand vormt de wangstreep.
• Overgang borst - buik: De kleurscheiding tussen de borst en buik verloopt middels een regelmatig gebogen lijn van vleugelbocht naar vleugelbocht en zorgt op deze manier voor een strakke kleurscheiding tussen de helder grijze borst en de grauwbeige met paarse waas gekleurde buik. 


Bron: Standaardeisen NBvV "Gedomesticeerde Afrikaanse en Aziatische prachtvinken (2012)"
Volledige, actuele standaardeisen zijn verkrijgbaar op de website van de NBvV.