Afdrukken

Nonnen en Rietvinken

Binnen het genus Lonchura vormen ook de nonnen en rietvinken een aparte groep, bestaande uit 19 soorten met in totaal 27 ondersoorten. Het bestaansrecht van enkele ondersoorten is wat dubieus. Daarnaast zijn enkele soorten zo nauw verwant dat zij nauwelijks het stadium van ondersoort zijn ontgroeid.

Deze groep lonchura's onderscheiden zich van de overige lonchura's door hun meer gedrongen model en hun meer opgerichte houding.
De nonnen en de rietvinken zijn bewust als een groep beschreven omdat een duidelijke scheidslijn tussen de beide subgroepen niet is aan te geven.
Grofweg kan gesteld worden dat de nonnen de wat meer primitieve soorten zijn met een wat eenvoudiger kleur- en tekeningpatroon, terwijl de rietvinken wat verder gedifferentieerd zijn met een wat complexer kleur- en tekeningpatroon.
De Nederlandse benamingen sluiten niet altijd bij deze stelling aan. Driekleur-, zwartkop- en witkopnon behoren duidelijk tot de nonnen. Bruinborst- en witborstrietvink, maar ook witschedelnon en prachtnon behoren tot de rietvinken. Daarnaast bevinden vijfkleur-, diksnavel- en arfaknon zich op de onduidelijke scheidslijn tussen beide subgroepen.
In deze standaard zijn alle soorten, met in totaal 8 ondersoorten, beschreven. Van de overige ondersoorten is het bestaan aangegeven. Deze verschillen echter dermate weinig van de beschreven (onder)soort, dat een aparte standaardomschrijving geen duidelijk herkenbare vogel oplevert.

In totaal is van 27 soorten en ondersoorten een soortbeschrijving gemaakt. Ook zijn er 3 kleurmutanten beschreven:

1. DRIEKLEURNON
Lonchura m. malacca

1a DRIEKLEURNON
Roodbruin
Door middel van transmutatie is de roodbruine driekleur non ontwikkeld. Deze vogel werd in het keurseizoen 2011 – 2012 voor het eerst tentoongesteld door de heer B.Moerman. Omdat deze kleurslag zich nog in een experimentele fase bevindt, is nog geen kleurbeschrijving toegevoegd.

2. ZWARTKOPNON
Lonchura m. atricapilla

3. CHINESE ZWARTKOPNON
Lonchura m. sinensis

4. BRUINKOPNON
Lonchura m. brunneiceps

5. SCHILDNON
Lonchura m. ferruginosa
Binnen de soort Lonchura malacca worden in totaal 10 ondersoorten beschreven. De beschreven 5 ondersoorten zijn uitersten binnen de soort en zeer duidelijk herkenbaar. De resterende 5 ondersoorten, te weten L.m.deignani, L.m.bakatana, L.m.jagori, L.m.rubroniger en L.m.formosana kunnen beschouwd worden als overgangsvormen tussen de beschreven ondersoorten.

6. WITKOPNON
Lonchura maja
Van de witkopnon worden geen ondersoorten erkend. De vrij grote variatie binnen de soort wordt toegeschreven aan variatie binnen de populatie. Gekozen is uiteraard voor de meest contrastrijke verschijningsvorm, een diep gekleurde vogel met een zo helder mogelijke kopkleur.

6a WITKOPNON
Roodbruin

6b WITKOPNON
Ino-crème
De kleurslagen roodbruin en ino-crème zijn op basis van transmutatie ontwikkeld. De geshowde exemplaren bevinden zich nog in een experimenteel stadium. Kleuromschrijvingen zijn dan ook nog niet opgesteld.

7. BLEEKKOPNON
Lonchura pallida
De bleekkopnon wordt nogal eens aangeboden onder de naam grijskopnon. Het kastanjebruine onderstaartdek is echter kenmerkend voor de bleekkopnon en de arfaknon. Alle andere nonnen en rietvinken (m.u.v. de witborstrietvink) hebben een zwart onderstaartdek. Daarnaast heeft de grijskopnon een zwarte snavel.
Het bestaansrecht van de ondersoort L.p.subcastanea wordt door een aantal deskundigen betwist.

8. ARFAKNON
Lonchura vana
De arfaknon heeft slechts een beperkt verspreidingsgebied in het Arfakgebergte in N-W Nieuw-Guinea. Voor zover bekend is deze soort nog nooit ingevoerd in Europa. Derhalve is alleen een "herkenningsbeschrijving" opgesteld aan de hand van beschikbare literatuur.

9. GRIJSKOPNON
Lonchura caniceps
De grijskopnon komt alleen voor op het Australische gedeelte van Nieuw-Guinea. Voor zover bekend is deze soort nog nooit ingevoerd in Europa. Gezien het exportverbod in Australië is de kans dat deze Lonchura hier ooit zal worden aangetroffen gering. De "herkenningsbeschrijving" is opgesteld aan de hand van een enkele balg, een paar recente en goede foto's van exemplaren in het wild, en beschrijvingen van diverse auteurs. Hierdoor kon een betrouwbare beschrijving worden opgesteld.
De grijskopnon is een van de vier Lonchura-soorten, welke een zwarte snavel bezitten. In totaal worden 3 ondersoorten erkend. De verschillen lijken aanzienlijk. Mochten er ooit meerdere ondersoorten worden ingevoerd, dan lijkt een aparte beschrijving van tenminste één ondersoort gerechtvaardigd.

10. GELE RIETVINK
Lonchura flaviprymna
Samen met de bruinborstrietvink en in mindere mate de witborstrietvink zijn dit de rietvinken welke al tientallen jaren in Europa aanwezig zijn en met redelijk resultaat worden gekweekt. Derhalve zijn er voldoende exemplaren voorhanden waardoor er een goede standaardbeschrijving kon worden opgesteld. De kopkleur van de gele rietvinken is nogal variabel. De voorkeur wordt gegeven aan een egale kopkleur.

10a. GELE RIETVINK
Bruin

11. WITSCHEDELNON
Lonchura nevermanni
Bij de witschedelnon is vooral de kopkleur nogal variabel. Ondersoorten worden niet erkend zodat dit moet worden toegeschreven aan een grote variatie binnen de populatie. Gezien de grote kleurverschillen bij elke importzending lijkt bovenstaande juist. Bij de standaardomschrijving is gekozen voor een meer heldere kopkleur en een zo diep mogelijke lichaamskleur, daar dit de meest contrastrijke exemplaren oplevert.

12. DIKSNAVELNON
Lonchura grandis
Door de forse snavel en grote kop is de diksnavelnon een opvallende verschijning. Er worden vier ondersoorten erkend welke minimaal verschillen in kleurdiepte en grootte van de kop en snavel. Beschreven is de wat helderder diksnavelnon welke in combinatie met de zwarte kop, borst en buik de meest contrastrijke verschijningsvorm is. De in Nederland aanwezige (kleine) populatie heeft over het algemeen een wat donkerder rugdek en een iets fijnere snavel.

13. HADESNON
Lonchura stygia
De non/rietvink met de minste tekening. Een nagenoeg egaal zwarte vogel met als enige tekening het goudgele staartdek. De laatste jaren zijn er regelmatig (kleine) importen geweest. Hiermee zijn door diverse liefhebbers goede kweekresultaten geboekt, waardoor aan de hand van voldoende vogels een goede standaardbeschrijving kon worden opgesteld.

13a. HADESNON
Mokkabruin

13b. HADESNON
Roodbruin
Aan het einde van het eerste decennium van de 21 eeuw zijn is een aantal keren mokka en roodbruin kleurig hadesnonnen te zien geweest.
Het is onvoldoende duidelijk of het ontstaan van deze mokka en roodbruin kleurige hadesnonnen hun oorsprong vonden door mutatieven dan wel transmutatieven.
Vooralsnog is in deze standaard gekozen om enkel de kleurslag aan te halen. Er is nog geen kleurbeschrijving opgesteld.

14. HUNSTEINNON
Lonchura hunsteini
Van de hunsteinnon is alleen een "herkenningsbeschrijving" opgesteld. Ook deze soort komt voor zover bekend niet in Europa voor. Hoewel alle door ons geraadpleegde literatuur een oranje-geel bovenstaartdek vermeld, soms zelfs strogeel, toonde de door ons onderzochte balg een donker kastanjebruin staartdek.
De ondersoort L.h.nigerrima is in het verleden als aparte soort beschreven als moornon. De tegenwoordige algemene opvatting is echter dat dit een ondersoort van de hunsteinnon betreft.
Ook de hunsteinnon heeft een zwarte snavel.

15. ZWARTBORSTRIETVINK
Lonchura teerinki
De zwartborstrietvink is de laatste jaren regelmatig ingevoerd in Europa. Hierdoor zijn voldoende exemplaren beschikbaar aan de hand waarvan een goede standaardomschrijving kon worden opgesteld. Het bestaan van een ondersoort wordt door ons betwijfeld gezien de grote variatiebreedte van deze soort bij de recente importen.

16. DIKKOPRIETVINK
Lonchura melaena
Ook van de dikkoprietvink zijn geen exemplaren in Europa aanwezig. In Leiden zijn wel een paar balgen aanwezig. Mede aan de hand van enkele recente publicaties kon er toch een goede "herkenningsbeschrijving" worden opgesteld. Ook de dikkoprietvink heeft een zwarte snavel.

17. VIJFKLEURENNON
Lonchura quinticolor
De vijfkleurennon wordt sinds het begin van de tachtiger jaren regelmatig ingevoerd en ook gekweekt. Door het voor handen zijn van een flink aantal vogels kon hier een goede standaard omschrijving worden opgesteld.

18. PRACHTNON
Lonchura spectabilis
Met de Chinese zwartkopnon behoort de prachtnon tot de kleinste nonnen en rietvinken.
In totaal worden 5 ondersoorten erkend welke slechts minimale verschillen vertonen in kleurdiepte, scherpte van tekening en het formaat. Alleen de ondersoort L.s.mayri schijnt in Europa aanwezig te zijn. Daar dit tevens de scherpst getekende ondersoort betreft, is aan de hand van deze ondersoort de standaardbeschrijving opgesteld.

19. FORBESNON
Lonchura forbesi
Van deze soort weer is alleen een "herkenningsbeschrijving" opgenomen. Er waren geen balgen beschikbaar, zodat voor de beschrijving alleen gebruik kon worden gemaakt van beschikbare literatuur. Ook de forbesnon heeft een zwarte snavel.

20. BERGRIETVINK
Lonchura monticola
Daar er van de bergrietvink voor zover bekend geen exemplaren en geen balgen aanwezig zijn in Nederland is er aan de hand van diverse literatuur alleen een "herkenningsbeschrijving"opgesteld.
Verschillende meldingen van bergrietvinken, die we tijdens ons onderzoek kregen, bleken alle te berusten op bastaarden van diverse rietvinken.

21. JUNGES-BERGRIETVINK
Lonchura montana
Van de junges-bergrietvink is in het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie te Leiden 1 balg aanwezig. Mede aan de hand van recente literatuur kon worden vastgesteld dat veel eerdere beschrijvingen van deze soort niet geheel correct waren. De laatste jaren is er ook in de minder toegankelijke gebieden van Nieuw-Guinea meer ornithologisch onderzoek gedaan waardoor veel nieuwe gegevens over weinig bekende lonchura's beschikbaar is gekomen. Hierdoor kon ook van de junges-bergrietvink een juiste "herkenningsbeschrijving" worden opgesteld.

22. OOST-AUSTRALISCHE BRUINBORSTRIETVINK
Lonchura c. castaneothorax

23. NOORD-AUSTRALISCHE BRUINBORSTRIETVINK
Lonchura c. assimilis

23a DOMESTICA BRUINBORSTRIETVINK
Lonchura c. c. domestica

23b. BRUINBORSTRIETVINK
Roodbruin

23c. BRUINBORSTRIETVINK
Ino crème

24. DWERGRIETVINK
Lonchura c. sharpei

25. ZWARTKOPDWERGRIETVINK
Lonchura c. ramsayi

26. BERGBRUINBORSTRIETVINK
Lonchura c. boschmai
De Australische ondersoorten van de bruinborstrietvink zijn reeds tientallen jaren aanwezig in Europa en worden volop gekweekt. Daar er in het verleden weinig naar ondersoorten werd gekeken, zijn beide soorten vermengd. Wij hebben dan ook gemeend om van deze mengpopulatie een standaard op te stellen onder de benaming Lonchura castaneothorax domestica.
De ondersoorten van Nieuw-Guinea zijn dermate afwijkend dat ook hiervoor een aparte standaardomschrijving is opgesteld.
Van deze ondersoorten is alleen de dwergrietvink in Europa aanwezig. Voor de beide andere ondersoorten is een "herkenningsbeschrijving" gemaakt aan de hand van enkele foto's en een redelijk aantal balgen uit het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie te Leiden.
De bruinborstrietvink is de enige non/rietvink waarvan inmiddels een kleurmutant wordt gekweekt. Uiteraard is deze ook in de standaard opgenomen. Tot op heden werd voor deze mutatie de naam isabel gehanteerd. Proefparingen met de Japanse meeuw, alsmede oorsprongonderzoek, hebben geleerd, dat de mutatie overeenkomt met de roodbruin mutatie bij de Japanse meeuw. In de standaard is dan ook de naam roodbruin gebruikt.

27. WITBORSTRIETVINK
Lonchura pectoralis
De witborstrietvink wijkt het meest af van het gangbare non/rietvinkenmodel. Door een vroege afscheiding en isolatie van de rietvinkenstamboom en de aanpassing aan een afwijkende biotoop heeft deze soort zich ontwikkeld tot een duidelijk afwijkende soort.
De witborstrietvink is de enige lonchura waarbij geslachtsdimorfisme voorkomt.
Daar er voldoende exemplaren voorhanden zijn, kon er een juiste standaardomschrijving worden opgesteld.


FYSIEKE STANDAARD RIETVINKEN EN NONNEN

Formaat
De rietvinken en nonnen zijn, ondanks hun geringe formaat, geen iel ogende vogels en dienen minimaal het formaat te hebben zoals in de soort afhankelijke standaard is aangegeven. Het formaat en model van de vogels mogen niet storend op elkaar inwerken.

Model
De rietvinken en nonnen moeten een forse indruk maken, welke iets krachtig overkomt, d.w.z. dat de rietvinken en nonnen niet de indruk mogen maken slank te zijn. Rietvinken en nonnen hebben in vergelijking met andere Lonchura soorten een meer verticale houding t.o.v. de zitstok. De onderlinge lichaamsverhoudingen dienen harmonisch te werken. Van opzij gezien moet de borstlijn vanaf de keel tot aan de inzet van de poten, regelmatig gebogen zijn. De rug moet, vanaf de nek tot aan de punt van de staart, een bijna rechte lijn vormen. Een puntige borst of uitgezakt achterlichaam worden als storend ervaren. De kop dient ronde lijnen te vormen zonder echt duidelijk afgeplat te zijn. De staart is kort en getrapt. De twee buitenste pennen zijn het kortste en worden naar binnen toe steeds langer.

Houding
De rietvinken en nonnen dienen fier op stok te zitten waarbij het lichaam los blijft van de stok. Het doorzakken van de poten is fout. De vleugels moeten strak langs het lichaam gedragen worden, waarbij de vleugelpunten sluiten op de stuit.

Conditie
Een goede lichamelijke conditie en een onbeschadigd verenpak is een eerste vereiste.

Snavel
De snavel moet kegelvormig zijn, zonder beschadigingen. De onder- en bovensnavel dienen natuurlijk te sluiten. De lijn snavel-schedel moet vloeiend zijn. De snavel van de diksnavelnon en de dikkoprietvink doen voor de soort enigszins fors aan.

Poten
De poten moeten recht en stevig zijn, zonder verruwingen of vergroeiingen. De nagels groeien als gevolg van de natuurlijke leefomgeving zeer snel en schubben op de poten zijn snel aan de orde. Tijdens de keuring dient hier extra aandacht aan besteed te worden. De tenen moeten goed om de zitstok klemmen. Aan elke poot bevinden zich vier tenen, waarvan er 3 naar voren en een 1 naar achteren is gericht. Elke teen dient voorzien te zijn van een natuurlijk gebogen nagel.

Bevedering
De bevedering van een non en rietvink dient kompleet te zijn en wordt gaaf en aaneengesloten gedragen. Een non of rietvink met slijtage aan de veren of vuile bevedering komt niet in aanmerking voor een hoge puntenwaardering.

Ringmaat
De ringmaat is 2,7 mm. Uitzonderingen hierop zijn de Chinese Zwartkopnon en de Prachtnon met 2,5 mm.


Bron: Standaardeisen NBvV "Lonchura's (2012)"
Volledige, actuele standaardeisen zijn verkrijgbaar op de website van de NBvV.