Afdrukken

Muskaatvinken

Binnen het genus Lonchura's vormen de muskaatvinken een geheel eigen groep bestaande uit één soort met elf ondersoorten. De ondersoorten vertonen op het eerste gezicht grote gelijkenis, maar worden de ondersoorten nader beschouwd zijn deze zelfs zo verschillend van elkaar dat voor enkele van deze ondersoorten een eigen Nederlandse naamgeving heeft plaatsgevonden In deze gevallen is van deze ondersoorten dan ook een eigen standaardomschrijving gemaakt.

Het verspreidingsgebied van India en Bangladesh richting China en Indische archipel is dermate groot, dat er door bergketens en zeeën verschillende duidelijk gescheiden populaties ontstonden. Deze populaties ondergingen ieder hun eigen evolutie om uiteindelijk als ondersoort min of meer duidelijk herkenbaar te zijn. In de gebieden waar twee populaties aan elkaar grenzen komen exemplaren voor, welke de kenmerken van beide populaties dragen. Soms zijn deze overgangspopulaties dermate groot dat ornithologen er voor kiezen om deze populaties als zelfstandige ondersoort te benoemen. Een voorbeeld is de populatie, die leeft in het overgangsgebied van de nominaatvorm ,L.p.punctulata, en de ondersoort L.p. subundulata. Deze populatie is door Koelz als L.p.catevaria omschreven, dit is echter niet door andere ornithologen overgenomen.

In het algemeen is hun leefgebied zeer veelzijdig en omvat ondermeer graslanden, berghellingen, gebieden met bamboebegroeiing, rijstvelden, dorpen en steden.

In het hoofdstuk muskaatvinken wordt een drietal rassen in standaardvorm omschreven. Deze rassen zijn de meest kenmerkende vertegenwoordigers van een groep van meerdere rassen. Een uitgebreide beschrijving per soort vindt u verderop in deze standaard.

Hieronder in het kort de kenmerkende verschillen tussen drie beschreven vormen:

1: De Indische muskaatvink
Lonchura p.punctulata
a) Volledig doorgekleurde kop en nek.
b) Duidelijke scherpe schubtekening ver doorlopend op de buik.
c) Geelkleurige bovenstaartdekveren.
d) Een éénkleurige snavel.
e) Diep warm bruine totaal kleur.

2: De Javaanse muskaatvink
Lonchura p.nisoria
a) Kop tot en met de wangen doorgekleurd.
b) Wat minder schubvormige tekening maar al meer V-vormig.
c) Grijs kleurige bovenstaartdekveren.
d) Tweekleurige snavel.
e) Heldere warm bruine totaal kleur.

3: De Chinese muskaatvink
Lonchura p.topela
a) Een klein doorgekleurd masker tot aan de wangen.
b) Duidelijk V-vormige tekening.
c) Geelgrijskleurige bovenstaartdekveren.
d) Een éénkleurige snavel.
e) Vrij dof bruine totaal kleur.


Fysieke standaard muskaatvinken.

Formaat:
De muskaatvinken zijn ondanks hun geringe formaat geen iel ogende vogels en dienen minimaal het formaat te hebben zoals in de soort afhankelijke standaard is aangegeven. Het formaat en model van de vogels mogen niet storend op elkaar inwerken. Het specifieke formaat wordt bij de standaard van de soort vermeld.

Model:
De muskaatvinken moeten een forse indruk maken welke iets krachtig overkomt, d.w.z. dat de muskaatvinken niet de indruk mogen maken slank te zijn. De onderlinge lichaamsverhoudingen dienen harmonisch te werken. Van opzij gezien moet de borstlijn vanaf de keel tot aan de inzet van de poten, regelmatig gebogen zijn. De rug moet vanaf de nek tot aan de punt van de staart een bijna rechte lijn vormen. Een puntige borst of uitgezakt achterlichaam worden als storend ervaren. De kop dient ronde lijnen te vormen zonder echt duidelijk afgeplat te zijn. De staart is kort en getrapt de twee buitenste pennen zijn het kortste en worden naar binnen toe steeds langer. De middelste staartpennen zijn minimaal langer en lancetvormig.

Houding:
De muskaatvinken dienen fier op stok te zitten waarbij het lichaam los blijft van de stok. Het doorzakken van de poten is fout. De vleugels moeten strak langs het lichaam gedragen worden, waarbij de vleugelpunten sluiten op de stuit. De Indische en Javaanse muskaatvink hebben een wat meer opgerichte houding dan de Chinese muskaatvink.

Conditie:
Een goede lichamelijke conditie en een onbeschadigd verenpak is een eerste vereiste.

Snavel:
De snavel moet kegelvormig zijn, zonder beschadigingen. De onder- en bovensnavel dienen natuurlijk te sluiten. De lijn snavel-schedel moet vloeiend zijn.

Poten:
De poten moeten recht en stevig zijn, zonder verruwingen of vergroeiingen. De tenen moeten goed om de zitstok klemmen. Aan elke poot bevinden zich vier tenen, waarvan er 3 naar voren en 1 naar achteren is gericht. Elke teen dient voorzien te zijn van een natuurlijk gebogen nagel.

Ringmaat:
2,7 mm.

Mutatie
In 2008 / 2009 is een mutatie bij de muskaatvinken ontstaan. In eerste instantie dacht men aan een ino- mutant. Uit een kweekverslag van de Belgische kweker bleek dat er dat er uit één en het zelfde koppel zowel vogels met rode als met donkere ogen werden geboren. Het waren witte tot crèmekleurige vogels met zowel donkere als rode ogen. Het vermoeden is dat het hier gaat om een pastel mutatie. Bij de getoonde vogels was uiterlijk niet zichtbaar van welke soort Muskaatvink. Er is een lichte kleurnuance zichtbaar op de stuit. Verder is er geen tekening of kleurnuance zichtbaar. Hiervan zijn nog maar enkele vogels beschikbaar. In deze standaard wordt hier verder niet op ingegaan, omdat de kweek van deze kleurslagen zich in een zeer pril stadium bevindt.


Bron: Standaardeisen NBvV "Lonchura's (2012)"
Volledige, actuele standaardeisen zijn verkrijgbaar op de website van de NBvV.