Afdrukken

Loodbekjes

Algemeen
Wetenschappelijke naam: Euodice m. domesticus
Duits: Malabarfasänchen
Engels: Indian Silverbill
Frans: Bec de plomp
Deens: Malabar Amadine
Italiaans: Becco di piombo

Ondersoorten
Van de loodbek, Euodice malabarica, worden geen ondersoorten onderscheiden. Wel heeft de loodbek een groot verspreidingsgebied. De loodbek komt voor in het gebied rond de Golf van Oman en oostwaarts richting Afghanistan, Pakistan, India en Bangladesh. Het gevolg van dit grote verspreidingsgebied is een zeer grote variatiebreedte binnen de soort.

Erfelijkheid en veerstructuur
De vederstructuur van de zilver- en loodbek is niet diepgaand onderzocht. Door een theoretische benadering van de mutaties en de analogie met de andere lonchurasoorten, is de volgende indeling tot stand gekomen. De bevedering van de zilver- en loodbekken zijn in te delen in vier groepen veervelden.
a) De beperkt met phaeomelanine gevulde veervelden.
* De buik (van de zilverbek).
b) De hoofdzakelijk met phaeomelanine gevulde veervelden.
* De kop.
* De borst.
* De flanken.
* Het rug- en vleugeldek.
c) De met eu- en phaeomelanine gevulde veervelden.
* De staart- en vleugelpennen en de stuit van de zilverbek.
d) In veervelden aanwezige carotenoïde.
* De stuitbevedering en staartpennen van de zilverbek.
* De staartpennen van de loodbek.
e) Met eumelanine gevulde hoorndelen.
Voor een diepgaande bijschrijving de verschillende mutaties bij de loodbek wordt naar de mutatie standaard prachtvinken verwezen. Bij de loodbek worden de volgende mutaties herkend.
Bruin: Met als oorspronkelijk kweker de heer Kraan uit Hazerswoude.
Donkerbuik: De oorsprong is niet te herleiden. Experimentele kweek is uitgevoerd door de heer Henk de Vos uit Utrecht.
Pastel: De mutatie is in 1982, in de omgeving van Arnhem, bij de heer Balk in de loodbek ontstaan en verder door de heer Lenting uit Arnhem vastgelegd en ontwikkeld.
Opaal: De opaal mutatie is begin negentiger jaren in een stam loodbekken ontstaan bij de heer H.Versteeg uit Driemond.
Donkerstuit: In dezelfde stam loodbekken ontstond bij heer H.Versteeg uit Driemond naast de opaal mutatie ook de donkerstuitmutatie
Grijs: Rond de eeuwwisseling is de grijsmutatie bij de loodbek in België ontstaan.
Geelstaart: Door de heer Pieter v.d.Hooven uit Zwolle werd in een ino stam de geel(staart) mutatie ontdekt in het begin van de 21ste eeuw.


Fysieke standaard

Formaat
De ideale loodbek is een meer slanke vogel en moet minimaal 11 cm lang zijn, gemeten tussen de punt van de snavel en het uiteinde van de staart. Het formaat dient een harmonisch geheel te vormen met het type van de vogel.

Model
De loodbek is een slankere meer langgerekte vogel welke, hoewel iets kleiner als de zilverbek, door zijn slankere postuur toch een langere indruk geeft. De loodbek mag echter niet de indruk geven iel of smal te zijn. De onderlinge lichaamsverhoudingen van de loodbek dienen harmonisch te werken. Van opzij gezien moet de borstlijn, vanaf de keel tot aan de inzet van de poten, een regelmatig gebogen lijn zijn. De rug moet, vanaf de nek tot aan de punt van de staart, een bijna rechte lijn vormen. Een puntige borst of uitgezakt achterlichaam worden als storend ervaren. De kop dient ronde lijnen te vormen, zonder echt duidelijk afgeplat te zijn. De staartpennen zijn van buiten naar binnen steeds iets langer, terwijl de twee middelste staartpennen puntig verlengd zijn, waardoor een tapse staartvorm ontstaat.

Houding
De loodbek dient rustig op stok te zitten. Het lichaam dient los van de stok te blijven, het doorzakken op de poten is fout. De vleugels dienen strak langs de romp gedragen te worden, waarbij de vleugelpunten sluiten op de stuit.

Conditie
Voor de loodbek, welke als soort relatief weinig foutbronnen heeft, is een goede conditie een eerste vereiste. Wanneer de loodbek niet in goede conditie verkeert, komen deze niet in aanmerking voor een hoge punten waardering.

Poten
De poten moeten recht en stevig zijn, zonder verruwingen of vergroeiingen. De tenen dienen op een natuurlijke wijze stevig om de stok te klemmen, waarvan drie tenen naar voren en één naar achter is gericht. Elke teen is voorzien van een iets natuurlijk gekromde nagel.

Ringmaat
2,5 mm.

Snavel
De snavel moet kegelvormig zijn, zonder beschadigingen. De onder- en bovensnavel dienen natuurlijk te sluiten. De lijn snavel - schedel moet vloeiend zijn.

Bevedering
Een onbeschadigd verenpak dient door de loodbek strak en aan een gesloten gedragen te worden, zonder beschadigingen. Door onvoldoende training in de tentoonstellingskooi zal de loodbek onrustig worden en met name de vederstructuur van de staart beschadigen.

Tekeningspatroon
De tekeningsonderdelen van de gedomesticeerde wildkleur loodbek zijn:
• Hamertekening bovenschedel: De bovenschedel is donkerbruin. Deze veren hebben een donkerder bruine veerkern, waardoor een gehamerd uiterlijk ontstaat. Deze hamertekening moet prominent aanwezig zijn.
• Kleurscheiding schedel en teugel en wangen: De afscheiding van de donkerbruine schedel en de witte grijs bewaasde teugel en wangen, loopt middels een lijn aan de bovenzijde van de teugel, boven langs de ogen en buigt achter de ogen af, richting wangen en vleugelbocht.
• Flanktekening: Op de crème witte flanken is een scherpe, regelmatige en ononderbroken bruine dwarstekening aanwezig, welke dezelfde kleur heeft dan de borst. De flank begint aan de vleugelbocht en loopt door tot aan de broek. De overgang van de flank naar de buik en borst is scherp zonder uitlopers. 


Bron: Standaardeisen NBvV "Gedomesticeerde Afrikaanse en Aziatische prachtvinken (2012)"
Volledige, actuele standaardeisen zijn verkrijgbaar op de website van de NBvV.