Afdrukken

Japanse Meeuwen

 Afstamming en domesticatieproces van de Japanse Meeuw
Het domesticatieproces van de Japanse meeuw zoals wij die nu kennen heeft zijn oorsprong in China. Al zo'n vierhonderd jaar geleden werden de stamvaders van de Japanse meeuw hier veel gehouden en gekweekt. Rond 1700 werden vanuit zuidelijk China de eerste exemplaren naar Japan overgebracht. Een verslag uit die tijd maakt duidelijk dat het ging om vogels van de soort Lonchura striata, het spitsstaart bronzemannetje. Met het oog op het uiterlijk en het verspreidingsgebied komen derhalve twee ondersoorten in aanmerking als stamvader van onze Japanse meeuw: L. s. acuticauda en L. s. swinhoei.

In Japan kwam het domesticatieproces pas goed op gang. De eerste mutant, de roodbruine, ontstond omstreeks 1785, de bonte mutant zou rond 1800 zijn ontstaan. De Japanners legden zich vooral toe op de kweek van witte, bonte, gekuifde en gefriseerde variëteiten.

In het midden van de vorige eeuw kwamen de Japanse meeuwen voor het eerst naar Europa. Hier werd een nieuwe episode in het domesticatieproces ingeluid door een aantal Deense vogelliefhebbers. Zij zijn er als eersten in geslaagd volkleur Japanse meeuwen te kweken. In Duitsland heeft men de kwaliteit van deze zgn. éénkleurige Japanse meeuwen verbeterd door het inkruisen van diverse andere Lonchura soorten.

Begin jaren zestig beginnen de kleurmeeuwen ook in Nederland aan populariteit te winnen. Ook hier is in de beginjaren gebruik gemaakt van met name de witkopnon en de zwartkopnon om de kwaliteit van de kleurmeeuwen te verbeteren. De toenemende populariteit van de Japanse meeuw resulteert in 1975 in de oprichting van een speciaalclub voor Japanse meeuwenliefhebbers, de Japanse Meeuwen Club (JMC). Medio jaren negentig zijn de Lonchura’s ook toegevoegd aan de club en sindsdien heet de JMC, speciaalclub voor de Japanse meeuwen en overige Lonchura’s. In Europa zijn sindsdien nog een aantal kleurmutaties opgetreden zoals de grijs-mutatie (België) en de ino-mutatie (Denemarken). In 1999 is vanuit Japan de geparelde-mutatie overgekomen.

De vederstructuur van de Japanse Meeuw
De zwartbruine Japanse meeuw bezit in haar bevedering twee soorten melanine, namelijk:
1. het (staafvormige) eumelanine (variërend van zwart tot koudbruin).
2. het (korrelvormige) phaeomelanine (altijd roodbruin).
Carotenoïde kleurstoffen zijn in de bevedering van de Japanse meeuw niet aanwezig. De baardbouw is van het algemene type. Hierdoor kunnen structurele kleuren, zoals violet en blauw, niet optreden. Door het optreden van mutaties bij de Japanse meeuw zijn er ook andere pigmenten ontstaan dan wel naar voren getreden. Heel duidelijk is dit het geval bij de kleurslag roodgrijs, waar we een beigegrijs pigment kunnen waarnemen.

De zwartbruine kleur is de oorspronkelijke kleur, deze wordt gevormd door de combinatie van roodbruine baarden (phaeomelanine) en zwarte haakjes (eumelanine). In figuur 1a ziet u een deel van een veer getekend en in figuur 1b ziet u een dwarsdoorsnede van een baard met de zich daaraan bevindende haakjes.
De kleurdiepte van de roodbruine baarden is afhankelijk van het aantal lagen roodbruin phaeomelanine om de kern en in mindere mate van de phaeomelaninekorrels die zich in de extalzijde (buitenzijde) van de baard bevinden.
Bij een goed gekleurde zwartbruine Japanse meeuw zijn in de kopbevedering de haakjes over hun gehele lengte met zwart eumelanine gevuld. Bij een sterke phaeomelanine vorming om de kern wordt de zwarte kleur warmer en nemen wij deze kleur waar als zwartbruin. De baarden van de achterkop-, nek- en rugdekbevedering zijn van hetzelfde type als de baarden van de kopbevedering, maar over het algemeen iets lichter van kleur door een zwakkere concentratie eumelanine in de haakjes en phaeomelanine in de baarden.
De schachten van de veren van de achterkop-, nek- en rugdekbevedering zijn zeer lichtcrème. Dit veroorzaakt een streeppatroon dat in de lengterichting van de vogel loopt.
Op de borst, van vleugelbocht tot vleugelbocht, loopt een scherpe kleurafscheiding. Op de buik zien we een fijne, regelmatige V-vormige tekening, zwartbruin van kleur en scherp afgetekend.

De staartpennen en de vleugelpennen zijn diep zwartbruin. Door een andere baardbouw komt het roodbruin minder tot uitdrukking en overheerst de zwarte kleur van de haakjes.

De kleurvererving van de Japanse Meeuw

Roodbruin-factor
De mutatie die de roodbruine Japanse meeuw doet ontstaan is één van de eerste kleurmutaties die is opgetreden. De kleurverandering wordt veroorzaakt door een verhindering van de vorming van zwart eumelanine. Wat overblijft is het roodbruin gekleurde phaeomelanine en een beigegrijs gekleurd pigment. Op dit moment is de aard van dit pigment nog onduidelijk. Naar alle waarschijnlijkheid is het een eumelanine (het wordt niet aangetast door de grijs-factor). In ieder geval is dit beigegrijze pigment verantwoordelijk voor de kleur van de roodgrijze Japanse meeuw. Bij de kleurslag roodbruin is dit pigment een storende component, die verantwoordelijk is voor de grauwe kleur, vooral zichtbaar in de staartpennen, en die derhalve weggeselecteerd moet worden. De ideale roodbruine Japanse meeuw bezit maximaal phaeomelanine met een minimaal eumelanine.
De factor die de roodbruine Japanse meeuw doet ontstaan (de roodbruin-factor) vererft recessief t.o.v. haar wild-factor. De roodbruin-factor is gelegen op een autosoom chromosomenpaar. Het symbool voor de roodbruin-factor is r. Een NIET roodbruin-factorige Japanse meeuw wordt dus weergegeven door de formule r+//r+. De formule voor een roodbruin-factorige meeuw is r//r.

Mokka-factor
De inzichten in de werking van de mokka-factor staan momenteel ter discussie. De klassieke theorie is dat er bij een mokkabruine Japanse meeuw uitsluitend in de toppen van de baarden zwart eumelanine wordt gevormd. Aan de basis bevatten de haakjes het roodbruine phaeomelanine. Binnen de JMC is men meer en meer tot de overtuiging gekomen dat de mokkafactor een wijziging in de structuur van het eumelanine veroorzaakt, waardoor de kleur wat wordt gereduceerd. In ieder geval tast de mokka-factor het phaeomelanine niet aan.
De mokka-factor vormt een meervoudige mutatie reeks met de roodbruin-factor. Beide factoren zijn dus mutaties van hetzelfde gen, van dezelfde wild-factor (r+). De mokka-factor vererft eveneens recessief t.o.v. haar wild-factor, maar is wel dominant over de roodbruin-factor. De volgorde van dominantie is dus:
wildfactor – mokka-factor – roodbruin-factor

Het symbool voor de mokka-factor is rm. Een mokka-factorige Japanse meeuw wordt derhalve weergegeven door de formule rm//rm, een NIET mokka-factorige meeuw met rm+//rm+.

Pastel-factor
De pastel-factor zorgt voor een particiele reductie van alle bij de Japanse meeuwen aanwezige pigmentsoorten, dus van zowel eumelanine als phaeomelanine.
Deze mutatie is indertijd opgetreden bij een roodbruine meeuw, waardoor verondersteld werd dat deze mutatie uitsluitend het roodbruine phaeomelanine reduceerde. Inmiddels weten we dat deze mutatie ook het zwarte en het beigegrijze eumelanine reduceert.
In de kweekpraktijk is komen vast te staan dat de pastel-factor autosomaal recessief vererft. De pastel-mutatie vererft onafhankelijk van de overige mutaties bij de Japanse meeuw. Het symbool voor de pastel-factor is p. Een NIET pastel Japanse meeuw wordt derhalve aangegeven met p+//p+, terwijl de formule voor een pastel p//p is.
We vragen de pastel meeuwen in twee variëteiten, t.w. de echte pastellen en de bleekvleugels. Bij de pastellen verlangen we dat de reductie van het pigment in alle veervelden nagenoeg gelijk is zodat een egaal gekleurde meeuw ontstaat. Het streven bij de bleekvleugels is er juist op gericht een contrastrijke Japanse meeuw te creëren, waarbij de melanine-reductie voornamelijk heeft plaats gevonden in de mantel, het vleugeldek en het onderlijf.

Grijs-factor
Hoewel waarschijnlijk al eerder opgetreden is de grijs-factor zoals we die nu kennen ontdekt in 1979. De grijs-factor is een phaeomelanine belettende factor. In grijze Japanse meeuwen ontbreekt het roodbruine pigment dan ook volledig. Het eumelanine wordt niet aangetast door de grijs-factor. Door het wegvallen van het phaeomelanine ontstaan er kleurloze veerdelen, die de kleur van het eumelanine verdunnen en zo de kleur van de grijze Japanse meeuw bepalen.
De grijs-factor vererft autosomaal recessief en onafhankelijk van de andere bekende factoren. Het symbool voor de grijs-factor is g. In formuletaal geven we een NIET grijze Japanse meeuw aan met g+//g+. Een grijs-factorige meeuw wordt aangegeven met g//g.

Ino-factor (geslachtsgebonden)
Sinds 1985 kennen we in ons land de ino Japanse meeuw. De exacte werking van deze factor is nog niet duidelijk. Het staat vast dat zowel het eumelanine als het phaeomelanine wordt aangetast. De reductie van het eumelanine is volledig in de hoorndelen en de ogen. De hoorndelen zijn derhalve hoornkleurig en de ogen zijn helder rood. In de bevedering blijft echter een restant eumelanine aanwezig, hetgeen zichtbaar is in de kleurslag ino-grijs.
Deze mutatiecombinatie met de grijs-factor laat ook zien dat niet al het phaeomelanine uit de bevedering van de ino crème is verdwenen. Nog onduidelijk is echter van welk type het resterende eumelanine is.
De ino-factor is gelegen op het x-chromosoom en vererft recessief t.o.v. haar wild-factor, met andere woorden de vererving is geslachtsgebonden recessief. Als symbool voor de ino-factor is gekozen voor i. De formule voor een NIET ino-factorige Japanse meeuw man is xi+//xi+, voor een NIET ino-factorige pop xi+//y. Een ino-factorige man wordt aangegeven met xi//xi, een ino pop met xi//y.

Ino-factor (autosomaal)
De autosomaal verervende albino Japanse meeuw schijnt ook al mutatief zijn ontstaan. Deze is echter niet te onderscheiden van de door combinatie (wit + geslachtsgebonden ino) gekweekte albino, en wordt daarom niet apart beschreven.

Bruin-factor
Het is niet geheel duidelijk of de bruinmutatie zich al heeft voorgedaan bij de Japanse meeuw. De bruin-factor belemmert de volledige oxidatie van het eumelanine, zodat in plaats van zwart eumelanine zandkleurig bruin eumelanine wordt afgezet in de bevedering en de hoorndelen.
Bij alle vogelsoorten waar deze mutatie zich heeft voorgedaan is de vererving geslachtsgebonden recessief. Het is te verwachten dat dit ook bij de Japanse meeuw het geval zal zijn.

Gepareld-factor
De gepareld-factor is gelegen op het x-chromosoom en vererft recessief t.o.v. haar wild-factor, met andere woorden de vererving is geslachtsgebonden recessief. Als symbool voor de gepareld-factor is gekozen voor g. De formule voor een NIET gepareld-factorige Japanse meeuw man is xg+//xg+, voor een NIET geparelde pop xg+//y. Een gepareld-factorige man wordt aangegeven met xg//xg, een gepareld-factorige pop met xg//y.

Recessief bont-factor
De recessief bont-factor verhindert de vorming van melanine in bepaalde veervelden en hoorndelen. De optredende bontvorming is tot op zekere hoogte variabel in patroon.
De recessief bont-factor vererft autosomaal en heeft het symbool rb gekregen. Een NIET recessief bonte Japanse meeuw heeft de formule rb+//rb+. De formule voor een recessief bont-factorige meeuw is rb//rb.

Dominant bont-factor
De dominant bont-factor heeft dezelfde werking als de recessief bont-factor. Het is aan het uiterlijk van een bonte Japanse meeuw dan ook niet te zien of hij/zij is ontstaan door de werking van de recessief bont-factor dan wel de dominant bont-factor. Alleen door proefparingen is dit vast te stellen.
De dominant bont-factor vererft autosomaal en kent als symbool Db. De hoofdletter geeft aan dat deze bont-factor dominant is over haar wild-factor (Db+). Een NIET dominant bonte meeuw heeft als formule Db+//Db+. De enkel-factorige dominant bonte wordt aangegeven met Db//Db+, de dubbel-factorige dominant bonte Japanse meeuw met Db//Db.

Kuif-factor
De kuif-factor verandert de ligging van de veerzakjes op de kop. Hierdoor ontstaat een afwijkende veerinplant van de kopbevedering. De vorm van de kuif is zeer variabel, van enkele opstaande veertjes tot een dubbele kuif is alles mogelijk.
De kuif-factor vererft autosomaal dominant. Gebleken is dat de kuif-factor lethaal is, een dubbel-factorige kuif meeuw bestaat derhalve niet. Een vrucht met op beide chromosomen van het betreffende paar de kuif-factor zal vroegtijdig afsterven. De kuiffactor heeft als symbool K. Een gekuifde meeuw heeft als formule K//K+ (de dubbel-factorige K//K bestaat immers niet). Een NIET kuif (gladkop) meeuw wordt aangegeven met K+//K+.

Frise-factor
De frise-factor verandert de ligging van de veerzakjes op de borst. Hierdoor ontstaat een afwijkende veerinplant van de borstbevedering. De vorm van de frise is zeer variabel, van enkele opstaande veertjes tot meerdere rozetten naast elkaar.
Er zouden ook friseringen in de nek zijn, echter er is twijfel of dit een aparte mutatie is. Aangezien tot nu toe is gebleken dat de nek-frisering altijd samengaat met de kuif, is de vraag of dit een aparte mutatie is. Misschien is het een selectie vorm van de kuif-mutatie.
De frise-factor vererft autosomaal dominant. Gebleken is dat de dubbel aanwezige frise-factor een lethale werking heeft; een dubbel-factorige frise meeuw bestaat derhalve niet. Een vrucht met op beide chromosomen van het betreffende paar de frisefactor zal vroegtijdig afsterven. De frise-factor heeft als symbool F. Een gefriseerde meeuw heeft als formule F//F+ (de dubbelfactorige F//F bestaat immers niet). Een NIET gefriseerde meeuw wordt aangegeven met F+//F+.

Richtlijnen voor het keuren van Japanse Meeuwen
Door het ontstaan van steeds meer mutaties heeft de Japanse meeuwensport de afgelopen 20 jaar een enorme ontwikkeling doorgemaakt. De oprichting van de Japanse Meeuwen Club in 1975 is hiervoor van grote betekenis geweest. Het grote aantal kleurslagen dat we tegenwoordig kennen maakt het keuren van Japanse meeuwen niet eenvoudiger.
De Technische Commissie van de NBVV is in 1975 gestart met een vervolgcursus voor keurmeesters, speciaal gericht op het keuren van zebravinken en Japanse meeuwen. Verder zijn de kleuromschrijvingen in deze standaard voorzien van keurtechnische aanwijzingen. Hieronder volgen bovendien richtlijnen voor het keuren van Japanse meeuwen. Dit zal de eenheid bij het keuren van Japanse meeuwen bevorderen. Bovendien wordt verwezen naar het document “Richtlijnen voor het keuren”van oa standaardvogels.

Het beoordelen van fouten
Daar niet één Japanse meeuw aan de standaardeisen voldoet, zeggen wij dat die Japanse meeuw fouten toont. Een keuring houdt dus in dat wij een groep Japanse meeuwen beoordelen op hun afwijkingen ten opzichte van de beschreven standaard en op de zwaarte van die afwijkingen. De hele keuring zou veel eenvoudiger zijn als we een groep Japanse meeuwen moeten selecteren op de kwaliteit van één eigenschap, bijvoorbeeld de lichaamstekening, de kleur of het model. Bij een vluchtige vergelijkende selectie speelt de individuele voorkeur voor een bepaalde eigenschap onwillekeurig een rol.
Daar wij de Japanse meeuwen echter moeten beoordelen op een aantal volkomen van elkaar verschillende eigenschappen is een dergelijke keuring vrij ingewikkeld, zo ingewikkeld dat het zonder keurbriefje bijna niet mogelijk is. Op het keurbriefje kunnen we van ieder onderdeel apart de afwijking ten opzichte van de standaard in punten uitdrukken. Dit systeem houdt echter ook weer een gevaar in. Door domweg de waargenomen afwijkingen op de verschillende onderdelen te sommeren kan er een beoordeling ontstaan die niet in overeenstemming is met het totaalbeeld. Zal een keuring op deze wijze plaats vinden, dan zal er van de Japanse meeuw maar weinig overblijven. Houden wij het onderlinge verband wel in het oog, dan kunnen wij spreken van keuren met gevoel. Keuren met gevoel is dus beoordelen met behulp van het keurbriefje en niet aan de hand van het keurbriefje. Ondanks de goede bedoelingen van elke keurmeester en ondanks de goede rubricering op het keurbriefje is elke keurmeester toch geneigd zijn persoonlijke voorkeur voor bepaalde eigenschappen een te grote rol te laten spelen bij de beoordeling. Een keuring zal dan ook altijd een zekere variatie in beoordeling te zien geven tussen keurmeesters onderling, een feit waar helaas weinig aan te wijzigen valt. Deze individuele verschillen zullen op iedere keuring in meer of mindere mate tot uiting komen. Maar dit geldt evenzeer voor degenen die de keurmeesters bekritiseren.
Ook de kwekers laten zich bij de beoordeling van de kwaliteit van de Japanse meeuw sterk beïnvloeden door subjectieve waarden. Hierdoor varieert hun oordeel ook sterk.
Door de grote variatie in kleur en tekeningspatroon is het noodzakelijk de verschillende kleurslagen in verschillende schalen te keuren, zodat het zwaartepunt komt te liggen bij de kweekmoeilijkheid van de betreffende kleurslag.

Schaalindeling
Het keurbriefje voor de Japanse meeuw (het roze keurbriefje) kent een viertal schalen.

Schaal 1 Schaal 2 Schaal 3 Schaal 4
Alle kleurslagen, die een
volledige V-vormige
buiktekening moeten tonen.
Alle bleekvleugels en
getekenden.

Alle kleurslagen zonder
tekening.

 Alle gekuifde en gefriseerde.


 

Nog niet erkende kleurslagen dienen te worden gekeurd in de schaal waarin ze volgens bovenstaande indeling thuis horen.

Japanse meeuwen worden twee jaar gevraagd, dus het laatste en voorlaatste broedjaar.

Theoretisch kan elke Japanse meeuw 100 punten krijgen, maar dan zou hij volledig aan de standaard moeten voldoen. De standaard stelt echter een ideaalbeeld voor, waar een Japanse meeuw moeilijk voor 100% aan kan voldoen. In de keurpraktijk kunnen we maximaal 92 punten en minimaal 75 punten toekennen. Wij hebben dus een marge van 17 punten waarbinnen de beoordeling van de Japanse meeuw valt. Deze puntenmarge is ruim voldoende om de beoordeelde Japanse meeuwen naar kwaliteit te kunnen rangschikken. Om de kampioensvogel 1 punt extra toe te kunnen kennen, kan in voorkomende gevallen deze kampioensvogel op 93 punten worden gebracht (webmaster: sinds 2016 kunnen vogels maximaal 95 punten krijgen. Een kampioen maximaal 95 punten, zilver maximaal 94 punten en brons maximaal 93 punten). Het extra punt kan toegekend worden in één van de primaire rubrieken (rubriek 1,2, 4 of 5). In de hieronder afgebeelde tabel vindt u de puntenwaardering behorend bij iedere schaal op het roze keurbriefje:

Keurlijst Japanse meeuwen

Schaal 1
max - min.
Schaal 2
max - min.
Schaal 3
max - min.
Schaal 4
max - min.
Formaat, model, houding, conditie en bevedering. 28 (29) - 22 28 (29) - 22 28 (29) - 22  28 (29) - 22
Grootte en vorm van de kop en snavel. (kuif / frisé) 8 (9) - 6 8 (9) - 6 8 (9) - 6 23 (24) - 16
Poten 5 - 1 5 - 1 5 - 1 5 - 1
Kleurregelmaat en kleurdiepte 18 (19) - 14 33 (34) - 26 51 (52) -41 36 (37) - 31
Kop-, vleugel- en lichaamstekening 33 (34) - 27 18 (19) - 15 - - - - - -
Totaal 92 (93) - 70 92 (93) - 70 92 (93) - 70 92 (93) - 70

Noot: Minimaal te halen aantal punten.
Het praktisch minimaal toe te kennen aantal totaalpunten wordt beperkt tot 75 punten. Het minimale aantal punten dat op een keurbriefje toegekend mag worden.
Het theoretische minimum blijft echter 70 punten. Hierdoor ontstaat dezelfde situatie als met het theoretische maximum van 100 punten en het praktische maximum van 93 punten.
• Wel kunnen we Japanse meeuwen, die een uitzonderlijk goed formaat, model, houding en/of bevedering bezitten, als uitzondering, maximaal 29 punten in deze rubriek toekennen.
• We kunnen Japanse meeuwen, die een uitzonderlijk goede kop-/snavelvorm bezitten, als uitzondering, maximaal 9 punten in deze rubriek toekennen. Tenslotte kunnen we Japanse meeuwen met een uitzonderlijk goede kuif maximaal in schaal 4: 24 punten in de rubriek kop en snavel (kuif / frisé) toekennen.
• Japanse meeuwen die uitblinken in kleuregaliteit of kleurdiepte, als uitzondering, maximaal in schaal 1: 34: schaal 2: 19 -; schaal 3; 52 - en schaal 4: 37 punten in deze rubriek toekennen.
• We kunnen Japanse meeuwen, die een uitzonderlijk goede tekening bezitten, als uitzondering, maximaal in schaal 1: 19 - en in schaal 2: 34 punten in deze rubriek toekennen.

Een uitzondering op de 92 puntengrens is gemaakt voor de Japanse meeuw, die aangewezen worden als prijswinnaar. Deze 
vogels mogen meer dan 92 punten krijgen.
In al deze gevallen geldt echter, dat aan de Japanse meeuw, die niet als kampioen wordt aangewezen, nimmer meer dan 93 punten als eindtotaal mag worden toegekend.

Keurrichtlijnen
Naast de hierboven vermelde keurrichtlijnen, wordt verwezen naar de standaard “Richtlijnen voor het keuren 2012.”

Standaard voor de japanse meeuw

Formaat
Een Japanse meeuw moet, gemeten van snavelpunt tot staartpunt ongeveer 12,5 cm lang zijn.

Model
Hoewel een Japanse meeuw een forse vogel is, geeft hij een slanke indruk. Van opzij gezien moet de borst-buiklijn, vanaf de hals tot en met de onderstaartdekveren regelmatig gebogen zijn. De borst moet tamelijk breed en rond van voren zijn. Het achterlijf mag niet de indruk wekken uitgezakt te zijn. Omdat de Japanse meeuw zijn kop wat hoog draagt en de staart iets is opgericht is de ruglijn enigszins hol. De staart is trapvormig, de buitenste staartpennen zijn vrij kort terwijl de twee middelste verlengd en lancetvormig zijn. De staart moet in het verlengde van de romp worden gedragen. De onderlinge lichaamsverhoudingen mogen niet storend op elkaar inwerken.

Houding
Een Japanse meeuw moet rustig op stok zitten. Ten opzichte van het horizontaal moet de romp een hoek van ongeveer 35° vormen. De vleugels moeten strak langs de romp worden gedragen. De vleugelpennen moeten sluiten op de stuit.

Conditie
Een goede lichamelijke conditie is voor een Japanse meeuw een eerste vereiste. De bevedering van een Japanse meeuw moet gaaf en schoon zijn. Het veren-pak moet strak gedragen worden, zonder afhangende of uitstaande veren.

Kop

De schedel moet een ronde, gebogen lijn vormen, zonder afplattingen. Van voor gezien moet de kop een goede breedte bezitten.

Snavel
De snavel moet kegelvormig zijn, zonder beschadigingen. De onder- en bovensnavel moeten goed op elkaar sluiten. De bovensnavel-schedellijn moet een vloeiend verloop hebben.

Poten
De poten moeten recht en stevig zijn, zonder verruwingen, vergroeiingen of gebreken. De Japanse meeuwen hebben aan elke poot vier tenen, waarvan drie naar voren en één naar achteren gericht. De tenen klemmen stevig om de stok. De nagels mogen niet te lang zijn. Poten en nagels moeten vrij zijn van bontvorming. Alle nagels moeten dezelfde kleur(diepte) bezitten.

Kleur
De kleur moet zo zuiver en zo egaal mogelijk zijn. Bontvorming is fout.

Rug-vleugeltekening
Op de achternek, bovenrug, kleine en middelste vleugeldekveertjes (de mantel) bevinden zich, evenwijdig aan de lengteas van het lichaam, fijne doch scherpe lichtgekleurde streepjes.

Borsttekening
Op de borst, van vleugelbocht tot vleugelbocht, loopt een scherpe kleurafscheiding tussen de kleur van de bovenborst en het onderlijf. Deze kleurafscheiding mag niet onderbroken zijn en de kleurnuances mogen niet in elkaar overvloeien.

Onderlijftekening
Op het onderlijf bevindt zich, vanaf de borstafscheiding tot de onderstaartdekveren, een scherpe doch fijne, regelmatige V-vormige tekening. Net onder de kleurafscheiding is deze tekening kort, terwijl de tekening in de flank ter hoogte van de dij wat grover is. De broektekening wordt gevormd door een sikkelvormige tekening vanaf de stuit tot de hak. Deze tekening is bij de stuit breed en loopt naar de hak spits toe.

Kuif
De kuif moet rosetvormig zijn, uitwaaieren vanuit één middelpunt centraal op de kop en afhangen tot een lijn boven de ogen. Opstaande veertjes en/of afwijkingen in de vorm van de kuif zijn fout, evenals duidelijk zichtbare dubbele kuiven. De kleur van de kuif moet geheel voldoen aan de kleurstandaard van de betreffende kleurslag. De gekuifde Japanse meeuw is erkend in alle in deze standaard opgenomen kleurslagen.

Frise
De frise kan zich in 2 vormen uiten:
1. De rozet, uitwaaieren van de veren vanuit één middelpunt centraal op de borsten/of in de nek.
2. De korf, vanuit een horizontaal lopende scheiding op de borst en/of in de nek, waaieren veren naar boven en beneden waardoor er een korf ontstaat. De kleur van de gefriseerde moet geheel voldoen aan de kleurstandaard van de betreffende kleurslag. De gefriseerde Japanse meeuw is erkend in alle in deze standaard opgenomen kleurslagen.

Keurtechnische opmerkingen
In de eerste rubriek van het keurbriefje voor Japanse meeuwen worden formaat, model, houding en conditie 
beoordeeld. In deze rubriek kunnen we maximaal 28 punten en minimaal 22 punten geven. Een variatie van 6 punten, waarvan in principe 3 punten voor formaat en model, 1 punt voor houding en 2 punten voor conditie.

Formaat
In nagenoeg alle gevallen voldoet de Japanse meeuw tegenwoordig aan de gestelde standaardlengte van 12½ cm.

Model
Het beoordelen van het model kan niet objectief gebeuren, wij kunnen niet met een meetlint exact de maten bepalen. In veel gevallen is het een vergelijkende beoordeling. Onwillekeurig schatten we een "warm"-gekleurde Japanse meeuw forser dan een "koud"-gekleurde. Ook de lengte van de staart speelt bij de beoordeling van het model een grote rol. Bij de standaard Japanse meeuw maakt de staartlengte ongeveer 1/3 uit van de totaallengte van de vogel. Het inkweken van nonnen heeft als neven effect dat de staartpennen korter worden. Japanse meeuwen met zo'n kortere staart wekken de indruk forser en geblokter te zijn dan de meeuwen met een staart die wel de voorgeschreven lengte heeft.

Bij de africhting van de Japanse meeuwen vergeten de liefhebbers vaak het dieet van de vogels aan te passen. Veel Japanse meeuwen worden daardoor te vet. Dit komt tot uiting door een iets uitgezakte borst en een te zwaar achterlijf, hetgeen duidelijk modelfouten zijn.

Houding
Van een Japanse meeuw mag worden verlangd dat hij tijdens de keuring rustig op stok blijft zitten, hierop kunnen ze worden getraind.

Conditie
Een goede lichamelijke conditie is een eerste vereiste. In deze rubriek wordt behalve de lichamelijke conditie ook de toestand waarin het verenkleed zich bevindt beoordeeld. Bij het missen van een enkel veertje, waardoor de kleur of de tekening onderbroken wordt, ligt het echter voor de hand dit in resp. de rubriek kleur of tekening te bestraffen. Vertoont de bevedering ernstige gebreken dan zal behalve bij kleur of tekening ook bij conditie moeten worden gestraft. Men kan de staartpennen gemakkelijk controleren door de Japanse meeuw voorzichtig tegen de tralies te laten komen.

Kop
De kop moet in verhouding staan met het lichaam en moet een mooie vloeiende, rond vorm hebben.

Kuif
Voor de beoordeling van de kuif is op het keurbriefje van de Japanse meeuw een aparte schaal gemaakt. De kuifvorm moet worden beoordeeld in de rubriek kop en snavel (kuif), de kleur van de kuif wordt beoordeeld in de rubriek kleur. Een normale kuif moet worden beoordeeld met 23 punten. De puntenwaardering voor een normale Japanse meeuw met een normale kuif wordt 27+23+4+35=89. Opstaande veertjes of kleine afwijkingen in de vorm van de kuif zijn niet ernstige fouten en mogen met ten hoogste 2 punten worden gestraft. Een storende, duidelijk zichtbare dubbele kuif is een ernstige vormfout en moet derhalve worden bestraft met 3 aftrekpunten.

Rozet/korf
Voor de beoordeling van de rozet/korf is op het keurbriefje van de Japanse meeuw een aparte schaal gemaakt. De rozet/korf vorm moet worden beoordeeld in de rubriek kop en snavel (kuif), de kleur van de rozet/korf wordt beoordeeld in de rubriek kleur. Een normale rozet/korf moet worden beoordeeld met 23 punten. De puntenwaardering voor een normale Japanse meeuw met een normale rozet/korf wordt 27+23+4+35=89. Rozet/korf komen in verschillende vormen voor en deze dienen voorlopig nog soepel worden geoordeeld. Belangrijk is dat de rozet/korf symmetrisch van vorm is.

Snavel
De kleur van de snavel wordt beoordeeld in de rubriek kleur en niet in de rubriek kop en snavel (kuif). In deze rubriek beoordelen we alleen de vorm en de toestand van het hoorngedeelte. De snavel moet kegelvormig zijn en vloeiend overgaan in de kopvorm. De snavel mag niet te zwaar worden. Een klein schubje op de snavel moet niet worden gestraft, ernstige snavelbeschadigingen uiteraard wel.

Poten
De kleur van de poten wordt eveneens beoordeeld in de rubriek kleur. In de rubriek poten beoordelen we de conditie van het hoorngedeelte. De poten dienen schoon en gaaf te zijn. Voor het missen van nagels en/of tenen zijn bindende afspraken gemaakt over het aantal aftrekpunten. Voor het missen van een nagel 3 punten bij poten. Het missen van 2 nagels wordt bestraft met 4 punten bij poten Voor het missen van een teen 4 punten bij poten. Vogels die meer nagels of tenen missen worden niet meer gekeurd en aangemerkt als gebrekkige vogel.

Kleur
Keurtechnische aanwijzingen over de kleur worden voor elke kleurslag afzonderlijk gegeven bij de kleuromschrijvingen in het specifieke deel van deze standaard. Hier volgen een aantal algemene opmerkingen. Een Japanse meeuw moet duidelijk herkenbaar zijn. Bij twijfel over de kleurslag mag nooit een hoge puntenwaardering gegeven worden. In deze rubriek wordt behalve de kleur van de bevedering ook de kleur van de hoorndelen beoordeeld. De kleur van de tekening wordt echter beoordeeld in de rubriek tekening.

Tekening
De V-vormige buiktekening heeft z'n naam te danken aan het tekeningpatroon per veer (zie fig. 2). Elke buikveer bevat een V-vormige tekening, waarbij de punt van de V naar achter is gericht. Om deze tekening te verduidelijken heeft men vooral de witkopnon ingekweekt. Bij de bastaardkweek is waarneembaar dat de tekening inderdaad duidelijker wordt, maar ook van vorm verandert. Terwijl bij de Japanse meeuw de tekening een hoek van ongeveer 30° maakt met de schacht, staat de tekening bij de bastaard (F1) min of meer haaks op de schacht. Als totaalbeeld zien we bij deze bastaarden dan ook een "schubtekening". Bij het doorkweken van deze bastaarden met Japanse meeuwen zal bij elke volgende generatie het tekeningspatroon meer V-vormig worden. Door het inkweken van nonnen is de V-vormige buiktekening niet alleen duidelijker geworden, maar ook wat zwaarder van vorm. Gestreefd moet worden naar een duidelijke (diep van kleur), scherpe (strakke streepjes) en V-vormige tekening.
Doordat we bij elk van deze drie factoren een grote variatie zien, is het beoordelen van die tekening bijzonder moeilijk. In de rubriek tekening wordt zowel de vorm als de kleur van de buiktekening beoordeeld. Een ander effect van het inkweken van nonnen is het verdwijnen van de streeptekening op rug- en vleugeldek. Dit wordt veroorzaakt door een toename van de concentratie pigment in de schacht. Bij de keuring moet goed op de aanwezigheid van de streeptekening worden gelet.

Getekenden en andere bontpatronen
Getekende Japanse meeuwen zijn bonte Japanse meeuwen met een selectief patroon. Om de ontwikkeling van nieuwe bontpatronen niet bij voorbaat tegen te houden dienen we naast de in de standaard omschreven bontpatronen de nodige souplesse te betrachten bij hiervan afwijkende bontpatronen. Vanuit Japan zijn diverse andere bontpatronen bekend zoals een zadel wat gereduceerd is tot een enkele of zelfs dubbele dwarsstreep op de rug. Ook afwijkende koptekeningen komen voor zoals oogstrepen die met elkaar verbonden zijn op het achterhoofd. Wellicht zijn ook gepigmenteerde velden op de borst mogelijk. Een belangrijke eis blijft echter dat de tekening altijd symmetrisch is en dat zadel en koptekening niet met elkaar verbonden zijn. Kop- en rugpatronen dienen dus altijd los van elkaar zijn. Tenslotte dient het aandeel wit van de bevedering minimaal 75% of meer zijn. Japanse meeuwen met een willekeurig vlekkerig bontpatroon die veelvuldig als pleegouder worden ingezet worden in het vraagprogramma als niet gevraagd aangemekrt en krijgen indien toch ingezonden 75 punten bij het eindtotaal. 


Bron: Standaardeisen NBvV "Japanse meeuw (2012)"
Volledige, actuele standaardeisen zijn verkrijgbaar op de website van de NBvV.